De zin en onzin rond lampen en milieu
Artikel in Plafond & Wand nummer 5-2008 (download hier het origineel)
Bekendheden en politici verspreiden de boodschap van energiebesparing en het tegengaan van CO2-uitstoot. Aangezwengeld door de energiehype worden allerlei nieuwe lampen, armaturen en toebehoren in hoog tempo de markt ingestuurd. Producten waarvan de kwaliteit ter discussie kan worden gesteld. Onderbouwd door cijfers over besparingen en CO2 lijken ze een ideale keuze om het milieu en de portemonnee te sparen. Maar voor veel van deze ‘oplossingen’ is een stevige nuancering van de ‘voordelen’ gewenst.
De gloeilampenkwestie zal weinigen zijn ontgaan. Deze eenvoudige ‘warmtestraler’ staat model voor wat er aan de hand is. Volgens tal van bedrijven, instanties en organisaties moet de gloeilamp verdwijnen. Er is immers een goede vervanger: de spaarlamp. Helaas vergeten deze critici de zaak goed te bestuderen. Essentiële voor- en nadelen zijn niet tegen elkaar afgewogen. Toch dendert de trein verder: in een aantal landen treedt het verbod op de gloeilamp al in werking in 2009.

Photo: PakyuZ/Flickr
Openbaring
Door deze roekeloze aanpak is de professionele lichtwereld door elkaar geschud en zijn tal van professionals bezig om de kwestie nog eens goed te bekijken. Wat blijkt? De spaarlamp is zo goed niet en blijkt zelfs op vele punten slechter voor het milieu dan de gloeilamp. Deze informatie komt geregeld aan het licht en zal een openbaring vormen voor het grote publiek. Een publicatie hierover op de website lichtopdezaak.com resulteerde in vele reacties en een vermelding in de dagbladen. De website savethebulb.org heeft internationaal nog een veel grotere impact. Het blijkt dat zelfs in opdracht van Greenpeace al in 1992 een dossier is aangelegd over de werkelijk ecologische impact van de spaarlamp onder de weinig lovende titel: ‘Energy ‘Saving’ Lamps = Energy Wasting Lamps’. Jazeker, hetzelfde Greenpeace die met de 1-miljoen-spaarlampen-actie consumenten opdringt te pas en onpas elke gloeilamp te vervangen door een spaarlamp. Bovendien is in de oktobereditie van het Duitse tijdschrift Öko-Test een vernietigend artikel verschenen over de ‘energiesparlampen’. In dit stuk, met de onheilspellende titel ‘Keine Leuchten’, luiden twee van de vier conclusies: “Spaarlampen zijn geen echte vooruitgang en mogelijk alternatief voor de gloeilamp.” Öko-Test schrijft verder: “Bij toepassing van spaarlampen dient men een afstand te handhaven van anderhalve meter tot het lichaam om elektrosmog (de invloed van elektromagnetische straling en elektrische wisselvelden op het menselijk lichaam) te voorkomen, de slechte lichtkwaliteit laat zich evenwel niet verbeteren.” Bovendien blijkt dat veel verkoopargumenten die op de verpakking staan niet worden nagekomen. Het gaat dan om triviale zaken als het vervangingswattage. Een 60W-gloeilamp zou vervangen kunnen worden door een 11W spaarlamp. Dit blijkt niet het geval, omdat de lumenstroom lager ligt. De werkelijke energiebesparing ten opzichte van de gloeilamp ligt tussen de 50 en 70 procent en niet op de vermelde 80 procent. Ook de levensduur valt flink tegen. Veel energie-efficiënte producten worden verkocht met te rooskleurige verhalen. Tegenvallende resultaten maken dat deze producten bij voorbaat al de sympathie van de eindgebruiker verliezen. Terwijl in veel gevallen de betreffende techniek nog veel verder kan worden doorontwikkeld. Met andere woorden, de markt gooit op voorhand zijn eigen ruiten in. Wellicht staat de led hetzelfde te wachten. Nog zo’n geweldige lichtbron, die door inferieure producten en wanstaltige toepassingen misschien over enkele jaren door niemand gebruikt durft te worden.
Retrofit: nieuw op oud
Als gevolg van de bewustwording van het energievraagstuk wordt de markt overspoeld met zogenaamde energiebesparende producten. Tussen dit aanbod bevinden zich ook de retrofitproducten, zoals nieuw ontwikkelde lampen die in oude fittingen passen. Deze producten kunnen in bestaande installaties direct worden toegepast. Na een korte terugverdientijd zouden deze lampen geld besparen, terwijl ook het milieu zou worden ontzien. In deze enorme vloedgolf van retrofitproducten is het van belang dat de branche oog houdt voor fundamentele details. Een voorbeeld: er zijn ledbuizen die worden aangeboden als mogelijke vervanging voor fluorescentiebuislampen (TL). De ledbuizen zouden soms wel tot 90 procent kunnen besparen ten opzichte van fluorescentiebuislampen. Vaak blijkt dat deze ledbuizen een abominabele warmtehuishouding hebben, waardoor de levensduur van de led erg beperkt wordt. Zo sterk, dat de fluorescentiebuislamp langer meegaat dan de ledbuis. Of de ledbuis veroorzaakt een hoge blindstroom, waardoor de elektrotechnische installatie onder druk wordt gezet en de verdeelkasten niet toereikend zijn. Na een spectrale lichtmeting van een dergelijke ledbuis bleek de kleurweergave-index ver onder het niveau te liggen van de norm voor werkplekverlichting NEN-EN 12464-1. De ledbuis in kwestie kan dus niet worden toegepast in kantoren, één van de voor de hand liggende toepassingsgebieden. Niet alle ledoplossingen zullen deze problemen tonen, maar het is goed om de leverancier om waarheidsgetrouwe technische gegevens te vragen. Als een ondernemer een bestaande verlichtingsinstallatie wilt vervangen, dan dient het resultaat lichttechnisch toch gelijkwaardig of beter te zijn? En toch niet alleen energiezuiniger?
T8/T5-adapter
Een tweede voorbeeld: in tegenstelling tot de ledbuis zijn er de zogenaamde adapters op de markt. Hiermee kunnen de bestaande dikke buislampen (ook wel T26 of T8 genoemd, rond 26 mm) met een conventionele voorschakelapparaat vervangen worden door dunne buislampen (ook wel T16 of T5 genoemd, rond 16 mm).
De verschillen in lamplengte, lampdiameter, voeding et cetera worden opgevangen door de adapter die over de nieuwe buislamp wordt geschoven. Doordat bijvoorbeeld de 58W-buislamp vervangen wordt door een 35W-buislamp, kan direct energie bespaard worden. Dat klinkt aantrekkelijk. Men vergeet daarbij vaak te vermelden dat de hoeveelheid licht die de lamp geeft met 30 tot 40 procent afneemt. Dat kan al snel het verschil maken tussen voldoende en onvoldoende licht op een bureau. Aangezien ook bekende energieleveranciers dergelijke ‘oplossingen’ in de markt zetten, wordt het steeds belangrijker deze goed op waarde te schatten. Energie besparen is een nobel doel, maar dan wel op een correcte manier.
Moeder aarde & Co2
Een populaire vorm om de energiebesparing aan te duiden is om het verbruik in kWh om te rekenen naar CO2-uitstoot. Dit leidt vaak tot een scheef beeld, omdat CO2-uitstoot eigenlijk geen norm is bij het opwekken van elektriciteit. Verschillende leveranciers hebben verschillende uitstoot per kWh. Een ‘groene’ leverancier die zijn elektriciteit enkel uit bijvoorbeeld windenergie haalt, zal geen CO2-uitstoot teweegbrengen. Ook per land kan dit enorm verschillen. Zo veroorzaakt Frankrijk een gemiddelde uitstoot van slechts 80 gram CO2 per kWh. Een bijzonder laag getal dat wordt bewerkstellig door de 59 kerncentrales die het land rijk is (bijna tweemaal zoveel als Rusland en driemaal zoveel als het Verenigd Koninkrijk). Nederland veroorzaakt een veel grotere uitstoot: circa 560 gram CO2 per kWh. Dit is te wijten is aan het verstoken van gas om elektriciteit op te wekken. Maar wat te denken van China met een uitstoot van circa 1000 gram CO2 per kWh.

Photo: Anna/Flickr
Naast de verwarring die wordt gezaaid door de gebruikte terminologie vergeet men vaak dat de productie van lichtbronnen ook energie kost. In feite dient alles door de ogen van moeder aarde bekeken te worden. De complete cyclus - vanaf productcreatie tot afvoer - is relevant. Er worden immers heel veel energiebesparende lichtbronnen gemaakt in China. Hoeveel CO2 zullen deze fabrieken meer uitstoten om een spaarlamp te maken vergeleken met uitstoot van de Europese fabrieken? En als de spaarlampen geproduceerd zijn, moeten ze nog op transport naar het Westen. De energiebesparing is ver te zoeken.
Het is een feit dat verlichting tegenwoordig energie moet besparen. De fysieke behoefte aan licht van de mens wordt slechts tot het minimum gehonoreerd en van comfort mag al helemaal geen sprake zijn. Waarom is het normaal dat auto’s beschikken over allerlei vormen van comfort, zoals climate control (in feite een airconditioning die altijd aanstaat), boordcomputers, steeds krachtigere motoren etcetera, en moet de verlichting bij u op kantoor energie besparen?
Weloverwogen
Hoe kan de mens zich staande houden in deze energiehype? Door de toepassing van de lichtbron centraal te stellen en niet de lichtbron of -techniek zelf. Dan kunnen veel beslissingen weloverwogen genomen worden. Het assortiment lichtbronnen is in de afgelopen 25 jaar flink gegroeid. Tevens zijn vele bestaande lichtbronnen verbeterd, waarbij de techniek is verfijnd en levensduur is toegenomen. Denk hierbij aan de halogeenlampen, waarbij de IRC-techniek zorgt voor een hogere efficiëntie en levensduur. Of de T16-fluorescentiebuislamp, die een voor Europese maatstaven logische lengtemaat en kleinere diameter combineert met een zeer hoog rendement. Bovendien kan binnen één lengte de keuze worden gemaakt voor een laag vermogen (HE, high efficiency) of een hoog vermogen (HO, high output). Tevens zijn de metaalhalogenidelampen verbeterd door versies die een nog hogere kleurweergave bieden van 90 en hoger. En dan er natuurlijk nog de led, die in rap tempo verbetering doormaakt.
Vaak wordt een ledproduct aangeprezen als de enige optie om energiebewust te verlichten. De led is een interessante lichtbron die de komende jaren nog flink verbeterd zal worden. Maar van de ledproducten, die nu uit voorraad geleverd kunnen worden, valt bijvoorbeeld de lumen-per-watt-verhouding tegen. Deze verhouding geeft aan hoeveel licht (lumen) er per opgenomen vermogen (Watt) gegeven wordt. Zo was in het blad [inst]Allicht te lezen dat het NMi (Nederlands Meetinstituut) nog geen led is tegenkomen, die meer licht oplevert dan welke andere lichtbron ook. Op dit moment schommelen de standaard leverbare leddownlights rond het rendement van de traditionele downlights met compactlampen. Tegenwoordig worden veel verlichtingsoplossingen vaak blind gekozen op basis van één kenmerk: energie-efficiëntie. Met andere woorden, welke oplossing brengt het aantal kWh zover mogelijk naar beneden? Bovendien duiken aan de gesprekstafel vaak hardnekkige en onterechte begrippen op als terugverdientijd, zeker in het geval van renovaties. Een ondernemer kan voor een gedegen lichtadvies terecht bij een onafhankelijke verlichtingsontwerper. Mocht dit niet kunnen of wenselijk zijn, dan dient een ondernemer elke lichtbron te kiezen op basis van de toepassing. Enkele vragen die gesteld kunnen worden zijn: brandt het armatuur langdurig? Wordt deze vaak in- en uitgeschakeld? Dienen alle kleurnuances goed beoordeeld te worden? Is het wenselijk om het licht te dimmen? Enzovoort. Door werkelijk even stil te staan bij de toepassing van de verlichting, kan een verstandiger keuze worden gemaakt uit de voor handen zijnde lichtbronnen en -technieken.
Mogelijke prestaties
Daarnaast is het van belang om naast de mogelijke prestaties van een lichtbron ook de beschikbaarheid van kant-en-klare producten met deze lichtbron te peilen. Zeker in deze tijd waarin nieuwe ontwikkelingen zoals ledarmaturen, onder commerciële druk zeer snel (of te snel) in de markt worden gezet. Regelmatig haalt de efficiëntie van de led het nieuws. Zo wordt er gesproken over leds die meer dan 100 lumen per watt geven. Leest men verder dan blijkt dat deze leds nog niet leverbaar zijn, laat staan dat er een armatuur voor is ontwikkeld.
Bijgaand figuur geeft de efficiëntie per lichtbron weer ten opzichte van de beschikbaarheid in de markt. Het figuur laat tevens zien in welke extreme mate de fabrikanten zich concentreren op de led. Blijkbaar loont de verdere ontwikkeling van andere lichtbronnen als de fluorescentie- en halogeenlampen totaal niet meer de moeite, terwijl deze wel voor verbetering vatbaar zijn. Enkele jaren geleden was er sprake van een nieuwe T16-buislamp met een nog hogere lumenstroom. Voordat potentiele gebruikers de lamp hebben kunnen zien branden, is deze aan de kant geschoven. En ook met de nieuwe generatie metaalhalogenidelampen wil het maar niet vlotten. De kleurweergave is weliswaar verbeterd, maar echt dimbaar zoals werd voorspeld, is de lamp niet.

De gloeilamp kan nog een verbeterslag maken. Nog minder gebruik van staal in de fitting, een hogere efficiëntie door een andere gassamenstelling in de glazen ballon en een langere levensduur door een infraroodcoating zijn een onderzoek waard.
Rationele benadering
In deze tijd van snelle en gebrekkige informatieverstrekking is het van belang om de keuze voor (energiebesparende) verlichting weloverwogen te maken. De branche moet zich niet laten leiden door de lawine aan veelbelovende energiebesparende producten, maar zich liever focussen op de werkelijke bewezen prestaties van de lichtbron in zijn toepassing. Alleen dan komt het tot een lichtplan dat zowel de eindgebruiker als het milieu tevreden stelt. Hopelijk remt een gezamenlijke nuchtere en rationele benadering de op hol geslagen markt af, zodat de verlichting weer werkelijke waarde toevoegt aan het project.
Entries (RSS)
March 10th, 2009 at 9:09 am
Dit bericht vond ik vandaag op de site van Philips.
Gloeilamp niet meer te koop in 2012
De Europese Commissie heeft besloten om de verkoop van gloeilampen vanaf volgend jaar stapsgewijs te verbieden. In 2012 moeten alle gloeilampen uit de winkels verdwenen zijn. De gloeilamp gebruikt volgens de Europese Commissie veel te veel stroom en gaat minder lang mee dan bijvoorbeeld een spaarlamp of een LED lamp.
Dus ik denk dat het er aan gaat komen.
Groeten,
Chris
April 20th, 2009 at 7:24 pm
Een belangrijke toevoeging in de kwestie energiebesparing tov. gloeilampen is de berekening. Mij is opgevallen dat bijvoorbeeld bedrijven zoals NUON, maar ook Philips altijd uitgaan dat de gloeilamp gedurende X uren per dag volop brandt. Nu is dat wellicht zo bij kleine wattages, maar juist de grotere versies worden veelal gedimd gebruikt in de woonkamer.
Van de Nuon-site geplukt: men haalt 5 lampen van 60W aan, en stelt voor deze te vervangen door 5 stuks spaarlampen van 15W. Dit zou voor een gemiddeld gezin ongeveer 55 Euro besparen. Echter, die 60W branden dus in de woonkamer wellicht maar voor 50%, dus bespaar je echt niet die 55 Euro, maar beduidend minder, indien je dimt naar 30% bespaar maar je op z’n hoogst maar een tientje!
Daarnaast zijn die spaarlampen maar zeer beperkt dimbaar (in stappen) en we weten allen dat ze niet het lichtspectrum en kleurechtheid hebben die we juist in de woonkamer wensen.
Ik durf hierbij te stellen dat alle berekeningen van besparingen die we de laatste maanden voorbij zien komen dus klinklare onzin zijn, gebaseerd op aannames die simpelweg niet correct zijn. Superpolatie op heel Europa is dan al helemaal de plank misslaan….
Conclusie: politici zijn op een foute wijze voorzien van getallen, de besparingen die in werkelijkheid worden gerealiseerd liggen vele malen lager.